De wereldreis van de Deense piccolo (deel 7)

Pakistan, 3 november 1967. Frank zit rechtop tegen de wand van een hut. Hoe laat zou het zijn? Twee uur, drie uur ’s nachts? Hij kan niet slapen. Overal om zich heen hoort hij gezoem en gekruip. Op de twee beschikbare bedden liggen twee zieke spelers. De beschikbare stoelen heeft hij in zijn rol als dokter verdeeld en hij heeft besloten wie er fit genoeg was om zonder stoel de nacht door te brengen.

De afgelopen tweeënhalve maand overtroffen iedere verwachting. Het team speelde 16 wedstrijden in 65 dagen in Marokko, Turkije, Cyprus, Perzië en Pakistan. De komende maanden is het speelschema nog voller en Frank vreest dat er een moment zal komen dat hij een keer op moet draven in het veld. Bij het plannen van de wedstrijden ging Paul Waters er ten onrechte van uit dat de selectie uit twee elftallen bestond. Niets is minder waar. Er zijn niet meer dan 16 veldspelers, van wie er altijd wel een paar in de lappenmand zitten.

Frank geniet ondertussen volop van het avontuur, hoewel het soms afzien is, zoals hier in deze hut. De uitkomst is ongewis, maar hij is niet bang en uiteindelijk komt het altijd weer goed. Hij ziet het als zijn taak dit over te brengen op de jongens. Op een vlucht van Athene naar Cyprus ontsnapten de spelers nog aan de dood toen ze in hetzelfde toestel zaten als de Griekse generaal Drivas. Hij was het doelwit van een aanslag, maar gelukkig voor de Tornado bliezen de Cypriotische terroristen het verkeerde toestel op. Hierbij kwamen de 66 inzittenden om het leven. 

Gisteren werd er tegen het nationale team van Pakistan met 0-0 gelijkgespeeld. De jongens zijn uitgeput en tot overmaat van ramp mochten zij niet de grens met India over. Alleen de Britse jongens en Bob Kap, die over een Canadees paspoort beschikte, mochten als leden van het Britse Gemenebest zonder problemen doorlopen. Bob beloofde de visa binnen een paar uur te regelen, maar na een hele dag wachten zijn ze er nog altijd niet. De volgende ochtend hebben zij nog altijd geen visa. De spelers hebben alleen hun Texaanse cowboykostuums bij zich, waardoor de dorpelingen hen nog vreemder aankijken. Mede hierom blijven de spelers zo veel mogelijk in hun hut.

Het thuisfront in Dallas wordt op de hoogte gebracht

Frank gaat op pad om te kijken of hij eten kan vinden. De dorpelingen spreken geen Engels en geld heeft hij niet. Het enige waarover hij beschikt zijn wat ballen en scheenbeschermers. De rest van de bagage is onmisbaar voor de rest van de reis. Het is onduidelijk of de Pakistani precies weten wat de scheenbeschermers zijn, maar ze zijn bereid er wat voedsel en drinken voor te ruilen.

De spelers wachten opnieuw de hele dag, maar de visa komen niet. Als ze ‘s avonds alsnog komen en de spelers met een bus naar de grens worden gebracht doemt er een nieuwe hindernis op. De douanier ligt al te slapen en geen van de aanwezige bewakers durft hem wakker te maken. De spelers worden nerveus, omdat hun visa maar tot middernacht geldig zijn. Om tien voor twaalf acht een van de bewakers het beter de spelers verderop in de jungle onder het hek door te laten kruipen dan zijn baas wakker te maken. De spelers staan doodsangsten uit en hun cowboyuniformen raken besmeurd met modder, maar ze bereiken hun hotel in Calcutta die nacht.

Na enkele uren slaap staat een wedstrijd tegen het nationale team van India op het programma. De Tornado weten er voor het oog van 50.000 toeschouwers een 0-0 gelijkspel uit te slepen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.